Duitslandweb logo Duitslandweb

Otto von der Gablentz-prijs: dankwoord Johan Simons

Achtergrond - 21 juni 2017 - Auteur: Redactie Duitslandweb

Regisseur Johan Simons kreeg op 20 juni in het Bimhuis in Amsterdam de Otto von der Gablentz-prijs uitgereikt voor zijn grote verdiensten voor de theaterkunst in Duitsland en Nederland. In zijn dankwoord, dat we hier publiceren, sprak hij over het belang van kunst en over de verschillen tussen Nederland en Duitsland in de omgang met kunst. 

Otto von der Gablentz-prijs: dankwoord Johan Simons © Kim Krijnen
Johan Simons spreekt zijn dankwoord uit

Zeer geachte jury van de Stichting Von der Gablentz-prijs, 
Zeer geachte dames en heren,

Van harte bedankt voor deze mooie prijs.
Ik ben trots een prijs te winnen, die goede verbindingen tussen Duitsland en Nederland beloont.
Ik ben bovendien vereerd de navolger te zijn van illustere namen zoals voormalig Europees president Herman Van Rompuy, of zoals Geert Mak.
Zijn meesterwerk 'In Europa' ken ik heel goed, ik heb het bewerkt tot een reeks muzikale lezingen in München, Gent en binnenkort Rotterdam.
'Europa' is een thema dat ook mij mateloos fascineert.

De rijkdom van ons continent, dames en heren, is niet in kapitaal te vatten.
De rijkdom van Europa kan je waarnemen als je met de trein van Oslo naar Sicilië rijdt.
De rijkdom van enorm veel verschillende landschappen, verschillende talen en klanken, verschillende huidskleuren, verschillende tradities in de kunst.
Europa is geen eenheidsworst.
Europa is diversiteit, Europa is weerstand, Europa is telkens opnieuw zoeken naar het compromis, naar de liefde voor het verschil – en wat dat betreft nemen we een steeds uniekere positie in in de wereld.

Ergens tussen Oslo en Sicilië liggen Nederland en Duitsland, twee landen met een bijzondere geschiedenis.
We kennen oorlog en vrede.
We kennen rivaliteit en mededogen.
Strijd en sympathie.

De Otto von der Gablentz-prijs is een tweejaarlijkse onderscheiding voor een persoon die zich heeft ingezet voor het bevorderen van de goede betrekkingen tussen Duitsland en Nederland of voor een verenigd Europa. Meer informatie

Nederland en Duitsland, twee landen met een grote liefde voor voetbal en theater.
Ik ken beide landen goed.
Ik ben als regisseur begonnen in de Nederlandse provincie, waar ik Duitse boerenstukken en Griekse tragedies gemaakt heb, samen met Paul Koek en ons gezelschap Hollandia.
We werden ontdekt door Duitse festivalleiders en intendanten en ik begon in Duitsland te regisseren.
Ik werd intendant van de Münchner Kammerspiele, een theater met een budget van 32 miljoen.
En aan de overkant van de straat stond er nog een theater, het Residenztheater, dat minstens nog eens zoveel kreeg.
Van de boerenschuren en de autosloperijen, van de lege kerken en de varkensstallen was ik in het centrum van de burgerlijke Duitse cultuur terechtgekomen, in het midden van het Bildungsideaal.
Ik voel me nog zo vaak een dorpsjongen op reis in de grootstad.
Diep vanbinnen draag ik het gevoel nog in me mee dat ik als tiener heb gehad toen ik voor het eerst in Parijs kwam, de opera zag en dacht: hier kom ik ooit regisseren.

De Münchner Kammerspiele, dames en heren, krijgt zijn geld van de stad München.
Het theater hoeft er niet om de zoveel jaar subsidiedossiers in te dienen, het hoeft zichzelf niet telkens weer tegenover de politiek te legitimeren, zoals in Nederland.
Het hoeft zichzelf niet te definiëren met speelbeurten en spreidingsvoorwaarden.
Nee; het geld wordt door de politiek bereid gesteld, en vanuit het stadsbestuur wordt een voorstel geformuleerd door de Kulturreferent wie er intendant zou moeten worden.
Vervolgens krijg je als intendant vijf jaar de tijd om te bewijzen wat je waard bent.
Als je een vruchtbare dynamiek teweeg brengt met een breed programma met oog voor de traditie en voor innovatie, dan word je waarschijnlijk gevraagd om te verlengen.
Als de zalen daarentegen leeg blijven, als de Feuilletons, de dagelijkse kunstpagina’s, slecht over je schrijven, als je theater de helft van de tijd gesloten blijft omdat je te weinig programma produceert, dan moet je wegwezen.

Als intendant in München en later bij de Ruhrtriennale heb ik altijd in direct contact met de politiek gestaan.
De politiek bemoeit zich met het theater, op een kritische en ondersteunende manier.

Juryvoorzitter Wim Kok reikt de prijs uit aan Johan Simons. Afb. Kim KrijnenEen voorbeeld.
In 2012 verscheen in Duitsland 'Der Kulturinfarkt', een boek van vier cultuurpopulisten die beweerden dat er teveel theaters en musea zijn in Duitsland.
Ze pleitten voor een reductie van 50 procent, dat zou beter zijn voor het kunstenlandschap.
De helft moest sluiten.
De cultuur werd aangevallen, en de politiek pareerde.
De theaters zelf moesten zich niet verdedigen, dat deden de politici in hun plaats.
En de media trouwens ook, die sprongen niet op de kar van het populisme, maar toonden met analyse en harde feiten aan dat het Duitse subsidiesysteem een zinvolle en economisch waardevolle investering is.
De auteurs verbrandden hun vingers en sindsdien werd er niets meer gehoord van hun theorie.

Een ander voorbeeld van de waarde van de politieke bemoeienis in Duitsland.
Het Theatertreffen in Berlijn, dat de tien beste voorstellingen van het seizoen presenteert, werd vorige maand geopend door Monika Grütters, de minister voor cultuur, die het publiek in haar toespraak perfect uitlegde wat het belang is van een breed en divers theaterlandschap, zoals zich dat in de selectie van het festival weerspiegelde.
Ze beschreef de waarde van een groot vast ensemble.
De minister brak een lans voor innovatieve en experimentele kunst in het theater, voor participatie en empowerment.
Monika Grütters behoort tot de CDU, de christen-democraten. Haar woorden hadden ook kunnen komen uit de mond van iemand van de SPD of van de liberalen.

Theater, dames en heren, bevindt zich in Duitsland in het hart van de samenleving en ook in het hart van de politieke elite.
In Duitsland is kunst geen linkse hobby, maar een vanzelfsprekend deel van het maatschappelijke discours.

Ze zijn in Duitsland wel jaloers op een paar traditionele kwaliteiten van het Nederlandse theater.
Op de collectieve werkwijze bijvoorbeeld, een mentaliteit die in Nederland breed verspreid is.

Het Duitse landschap is heel geprofessionaliseerd en sommige grote instituten verliezen aan wendbaarheid door een al te grote bureaucratie.
De uitdaging bestaat erin de instituten voortdurend te bevragen, open te breken, het vastroesten te vermijden.
Daartoe wisselen ze om de zoveel jaar de intendant en het artistieke team, vaak ook het acteursensemble.
Een waardevol uitgangspunt.
Daardoor ontstaat een grote mobiliteit van esthetieken en artistieke ideeen.

De Duitse betrokkenheid van de politiek bij de kunst vind ik fantastisch.
Ze heeft het mee mogelijk gemaakt dat er zich een sterk netwerk van stabiele instellingen heeft kunnen vormen.
De overheid gedraagt zich als een stabiele partner.
De fondsen zijn genereus, realistisch en slechts in zeer beperkte mate afhankelijk van de politieke kleur die toevallig de meerderheid bepaalt.

Wat een verschil met de dramatische situatie in Nederland.

In Nederland worden subsidies nog steeds toegekend volgens het principe van Thorbecke, een 19e-eeuws politicus: de politiek mag geen beoordelaar zijn van kunst en wetenschap.
Dat klinkt alsof de politiek zich niet met de inhoud van kunst wil bemoeien.
In werkelijkheid heeft de politiek binnen het Nederlandse subsidiesysteem natuurlijk toch veel beslissingsmacht.
Door te bepalen hoeveel instellingen hoeveel subsidie krijgen, vervalt het werk van de commissies onder de Raad voor Cultuur tot een invuloefening van hokjes die van tevoren zijn vastgesteld.
Door aan het verlenen van subsidie strenge voorwaarden te verbinden ten aanzien van speelbeurten en speelplekken, wordt de artistieke vrijheid van de theatermaker in vergaande mate beperkt.
Geld aanvragen voor een productie die bewust met kleine publieksaantallen werkt omdat het een persoonlijke ervaring wil opwekken, is bijvoorbeeld onmogelijk geworden.
Elke prestatie wordt geteld en gewogen, de administratieve greep is wurgend.

En er zijn bovendien de incidentele beslissingen, de moties van bovenaf die het advies van de Raad voor Cultuur soms herroepen.
Dat is inconsequent en ruikt naar politieke willekeur.
Een willekeur met grote inhoudelijke en kwalitatieve gevolgen.
Het is spelbederf, het is politieke vervuiling van procedures die wettelijk zijn vastgelegd.
Wie politici hierop wil aanspreken, op de inhoudelijke consequenties van het beleid, stuit op de muur van Thorbecke.

Er wordt steeds meer van de kunstenaar gevraagd, meer ondernemingszin, meer maatschappelijke relevantie, meer spreiding, meer en ander publiek, dat alles zonder aan persoonlijkheid en authenticiteit in te boeten.
Maar er wordt fors minder voor betaald!
En er staat geen helder beoordelingssysteem tegenover!
Er staat geen vertrouwen tegenover, geen enkele garantie dat er op lange termijn kan worden gewerkt en gedacht.
Geen ruimte voor de ontwikkeling van een avant-garde die anders wil werken, zonder onmiddellijk publiekssucces.

We moeten beseffen dat het ondersteunen van de kunst een verantwoordelijkheid van de politiek is.
Kunst is een maatschappelijke noodzaak, zoals onderwijs, zoals gezondheidszorg, zoals rechtspraak, zoals openbaar vervoer, zoals een gezond klimaat.

Kunst speelt een grote rol in de maatschappij en verdient daarom een politiek die zich ermee bemoeit.
Een politiek die met kunstenaars in debat gaat, die zich een inhoudelijke mening durft te vormen en die beslissingen met onderbouwde opinies fundeert.
Alleen dan krijgen we in Nederland weer een gezond kunstenlandschap, waarin het om meer gaat dan om holle frasen zoals ‘nationale en internationale excellentie’.
Alleen dan krijgt het organisme van de kunst in Nederland de kans, zich na de kaalslag van Halbe Zijlstra te herstellen.

De gevolgen van die kaalslag zijn nu al overduidelijk.
In heel Nederland zijn er minder acteurs in vaste dienst dan bij Schauspielhaus Bochum, waar ik intendant word.
Op festivals in het buitenland zijn er steeds minder Nederlandse groepen te gast.
Er wordt steeds minder over Nederlandse kunstenaars gesproken, enkele uitzonderingen daargelaten.
Er zijn organisaties die de helft van het jaar moeten sluiten, of zelfs definitief de boeken hebben neergelegd.
Kunstenaars springen van het ene losse project naar het andere.
We mogen dat niet beschouwen als “het nieuwe normaal”!

De kunst moet uit zijn isolement, hoor je maar steeds.
Wat een onwaarheid, wat een cliché.
Ja, natuurlijk moeten kunstenaars de wereld in.
Maar de wereld, en zeker de politieke wereld moet ook de kunst in.
Kunst en politiek zijn twee handen op één buik.
Inhoudelijk onafhankelijk van elkaar, maar deel van hetzelfde lichaam.
Kritisch voor elkaar, maar ook met open visier en vol respect.
Bewust van elkaars waarde en noodzakelijkheid.
Dat is een zichtwijze die ik in Duitsland heb opgemerkt en die ik mis in Nederland.
Alleen op die manier worden theatermakers uit Nederland weer toonaangevend in Europa en daarbuiten.
We moeten een inhaalbeweging maken!

We moeten een voorbeeld nemen aan de wetenschap, die zich in de 19e eeuw in tegenstelling tot de kunst in Nederland wel heeft weten te verbinden in een imposante infrastructuur van universiteiten, laboratoria en academies.
Dit netwerk van instituties schept met haar financiële zekerheid de mogelijkheid om ook in moeilijke tijden vrij te denken en diep te graven.
Zoals Robbert Dijkgraaf het nog in een zeer lezenswaardig artikel voor het NRC Handelsblad in 2015 schreef: de kunsten wonen in een veel fragieler bouwsel, waar de wind naar binnen waait.
Er is geen fundament van sterke instituties.
De vele mogelijkheden om samen te werken, worden onderbenut.
Juist in ons compacte land, met onze poldercultuur en onze tolerantie voor individualiteit, zouden we veel eensgezinder en georganiseerder kunnen optrekken.
Met de steun van een loyale en ondersteunende politiek is dat mogelijk en meer nog, absoluut noodzakelijk om als samenleving niet nog oppervlakkiger te worden en de aansluiting met de internationale kunstwereld niet te verliezen.

Dank jullie wel.

Reacties

Steven Moonen - 22 juni 2017 20:24

Geen woord teveel,zeer treffend de pijnlijke waarheid verwoord...

Reageer
Maximaal 500 tekens toegestaan

Lees meer over 'Cultuur':

De theaterstrijd

De theaterstrijd

Bij het Volksbühne-theater in Berlijn is het hommeles. Merlijn Schoonenboom over de strijd bij een van de bekendste theaters van Duitsland.

Lees meer

Laudatio Johan Simons door Geert Mak

Laudatio Johan Simons door Geert Mak

Johan Simons is Europeaan tot in z'n tenen, zei Geert Mak in een prachtige laudatio voor de regisseur.

Lees meer

'Nederlands theater verkeert in ademnood'

'Nederlands theater verkeert in ademnood'

Johan Simons, winnaar van de Otto von der Gablentz-prijs, over de Duitse en Nederlandse theaterwereld.

Lees meer

Duitsland biedt creatieve zzp'ers zekerheid

Duitsland biedt creatieve zzp'ers zekerheid

Nederland praat over een verplichte verzekering voor zzp'ers. In Duitsland is die er al voor creatieve beroepen.

Lees meer


top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger