Gemeenschapszin
Berlijnse lotgevallen (5)

Columns - 28 januari 2010 - Auteur: Annemieke Hendriks

Is verantwoordelijkheidsgevoel voor je buurt en solidariteit met je medemens eerder Duits of Nederlands? Is het van ‘Oost’ of ‘West’, sterft het wellicht uit?

Gemeenschapszin
© A. Hendriks
Journalist Annemieke Hendriks bericht in de serie Berlijnse lotgevallen over haar Berlijnse leven, met veel aandacht voor de verschillen in zeden en gewoonten tussen Duitsers en Nederlanders.

Premier Balkenende heeft, zo las ik, de Nederlanders begin deze maand gesmeekt hun eigen stoepje sneeuwvrij te houden. Al dagen eerder had de schrijver/historicus James Kennedy, UvA-professor van Amerikaanse komaf, in zijn column in Trouw zijn verbazing uitgesproken over het gebrek aan gemeenschapszin van de Hollander. Een besneeuwde stoep is in Amersfoort, waar hij woont, natuurlijk een fenomeen van zeldzame schoonheid, daarvoor had Kennedy best begrip. Maar tegelijkertijd vermoedde hij dat aan de weigering de stoep sneeuwvrij te maken geen esthetische beleving ten grondslag ligt. Het trottoir is een ‘schemerzone’ waarvoor niemand zich verantwoordelijk voelt – heel anders dan in Amerika.

En in Duitsland dan? Ik zit dit in Berlijn bij pakweg minus 17 graden te typen. Buiten is het een grauwe zooi van wekenlang aangekoekte sneeuw, waar je ondanks de milieuvriendelijke strooikiezeltjes zo onderuit gaat. In de provincie is het stellig beter, maar hier in de metropool heerst precies dezelfde gelatenheid als in Nederland – op de gevels na die klanten willen lokken. En dat terwijl de Berlijnse stratenreinigingsverordening huiseigenaren voorschrijft hun stoep ’s ochtends vóór zevenen sneeuwvrij te maken en daarna zo te houden.

'Spendengala'

Zo hebben we weer een vooroordeel minder over de Pruis als nijvere, gehoorzame mensensoort. Sterker, wat gemeenschapszin betreft kunnen álle Duitsers nog van ons Nederlanders leren. Wij verenigen ons graag op en rond de buis voor een goed ver doel. Als één grote familie schraapte Holland in een paar uur tijd ruim 41 miljoen voor Haïti bij elkaar - door de minister ter plekke op tv verdubbeld tot ruim 83 miljoen. Er hoefde alleen maar een camera in de buurt te zijn. Stoepje vegen is ons Hollanders gewoon niet spectaculair genoeg; dat doen de sterren, onze BN’ers, toch ook niet?

De Duitse televisie haalde tijdens het Spendengala voor Haïti nog geen 18 miljoen op. Duitsers zijn niet per se minder gul, maar ze geven bescheidener, met minder tamtam. En ook géscheidener: ieder via de eigen zuil of club. Als dat niet zo on-chic was zouden ze met hun giften ook wel naast de hier heiß geliebte Linda de Mol willen staan, zoals wij in Hilversum.

Is die nonchalante omgang van de Berlijner met de sneeuw, c.q. de openbare ruimte wellicht iets typisch Oost-Duits, een restant van de communistische mentaliteit? Nee, want heel Berlijn klaagt er over en heel Berlijn doet niks. Maar ik geef toe dat ik dat wel eens heb gedacht. Toen ik kort na de val van de Muur vaak in Oost-Berlijn vertoefde viel me op hoe liefdeloos die typisch Berlijnse binnenhoven van rond 1900 erbij lagen: verzamelplekken voor afval en kolenbergen zonder bloemetje of wat groen. Waarom werd het uitzicht op het hof niet gezamenlijk, met een paar stekjes en creatieve zin, wat prettiger gemaakt? Men vluchtte liever naar zijn eigen datsja aan de stadsrand: huisjes die straalden in bloemenzeeën.

Solidariteit

 Maar volgens Hans Modrow, de laatste communistische premier van de DDR, verdween de onderlinge solidariteit pas ná de val van de Muur. ‘Vroeger-waren-we-zo-sociaal-met-mekaar’, zei Modrow, terwijl hij de bouw van de Muur in één moeite door verdedigde en de Duitse hereniging ‘een stap terug in de geschiedenis’ noemde. Inderdaad, zei hij, dat waren welbewust antikapitalistische uitspraken.

Ik interviewde de oud-premier rond de millenniumwisseling in zijn kneuterige appartementje aan de Karl-Marx-Allee. Hij gaf hoog op van de gezamenlijke dakterrassen annex concertpodia op de flats van zijn monumentale straat in ‘Stalin-barok’, en van de winnende flats met een plaquette aan de deur voor het meest schoongeschrobde portiek – daarvan hingen er toen nog enkele.

Ja ja, onder toezicht van Modrow en zijn apparatsjiks wilde men wel sociaal doen en lijken. Maar om de hoek, uit het zicht, was die gemeenschapszin goed zoek. Omdat maar weinige DDR-burgers zich voor hun plezier in de openbare ruimte ophielden, ook al was die bezit van allen – of daarom – lagen binnenhoven en buitenpleinen er zo belabberd bij. Het was juist de jonge tegencultuur, uit Oost én West, die zich direct na de Wende meester van die ruimtes maakte en de binnenhoven opfleurde met een verfje, een zitje en een badkuip vol bloemen.

Blaaskanon

Die tijd lijkt lang vervlogen. Op ons binnenhof staat één boom, een oeroude kastanje die de renovatie van het omringende huizenblok ternauwernood heeft overleefd. Sindsdien vecht de boom tegen de mineermot. Elk jaar in november moeten de afgevallen bladeren worden geraapt, omdat de vermaledijde mot daarin overleeft. Dat weet elke Berlijner, de krant kondigt het elke herfst aan – en anders ik wel, via een pamflet in de hal.

Maar nee hoor, de huurders van de 25 omringende woningen, keurig Oost en West gemengd, verdommen het eensgezind een poot uit te steken. Dat is iets voor de eigenaars, vinden ze blijkbaar. Na mijn jarenlange eenzame geroep en geraap huurt de beheerder nu een man met een blaaskanon in. Het zit me niet lekker. Ik troost me met de gedachte dat premier Balkenende ook heel hard zou moeten roepen om de Nederlander aan het bladerenrapen te krijgen – als er geen show op televisie van wordt gemaakt.

Annemieke Hendriks woonde van 1980 tot 1982 in West-Berlijn, maakte in de jaren negentig veel reportages over Duitsland en woont sinds 2002 in Oost-Berlijn.

Afbeelding: A. Hendriks

Reacties

Geen reacties aanwezig

Maximaal 500 tekens toegestaan

top
Op deze site worden cookies gebruikt, wilt u hiermee akkoord gaan?
Accepteer Weiger