Pelgrimsboekje
Een kort verhaal van Ben Nieuwenstein.
Als ik op mijn onderdakadressen vertelde dat ik te voet onderweg was naar Berlijn, kwam steevast de vraag “waarom?” Alleen de asbestvale uitbaatster van een shabby hostel in A. vroeg niks en rochelde met een doorrookte stem “Wahnsinn”. Ik mocht haar wel.
Al wandelend tolden er antwoorden door mijn hoofd. Dat ik tijd nodig had. Omdat gehen eenvoudiger is dan bleiben. Omdat een mens toch ergens naar onderweg hoort te zijn. Of ergens voor moet vluchten. Geen ervan hield langer stand dan een paar kilometer.
Wat wel stand hield, was het lopen zelf. Het kraken van grind onder mijn schoenen. Bossen die overgingen in akkers, akkers in dorpen. Met aan het eind van iedere middag steeds dezelfde zoektocht: een bed voor de nacht. Een bed dat steevast gedekt werd met de verhalen van de mensen die het aanboden.
Zo was er, in Nederland nog, een vrouw die vertelde dat haar vader in 1945 vanuit Berlijn naar huis was gelopen. Zij wist nauwelijks iets over de oorlog; haar vader had er nooit over gesproken. "En nu loopt u juist die kant op," zei ze. Ze zuchtte en keek me aan of ze iets zocht in mijn ogen.
Een paar dagen daarna vroegen een Oekraïense moeder en dochter me de weg naar een dokter. Blijkbaar zag ik eruit alsof ik dat wist. Uiteindelijk zat ik in een spreekkamertje hun moeizame Engels in mijn moeizame Duits te vertalen voor een arts die -wonderlijk genoeg- geen woord Engels sprak. Toen alles geregeld was, gaf de oude vrouw een haast onzichtbaar knikje waarop haar dochter me een bed voor die nacht aanbood. Een wandelaar naar Berlijn die een slaapplek vindt in een huis van Oekraïense vluchtelingen in Duitsland; zo gaat dat.
Later sliep ik bij de nonnen die mij het hemd van het lijf vroegen over mijn tocht. Na het ontbijt kwam het oudste nonnetje naar me toe. Ze pakte mijn handen en zei dat mijn verhalen haar pelgrimshart weer hadden laten kloppen. Ze had die nacht gebeden of ze, al was het maar een week, zelf weer op pad mocht. En ze had gebeden dat ik behouden weer thuis mocht komen.
Overal waar ik overnachtte vroeg ik of ze een tekeningetje in mijn zelfgemaakte “pelgrimsboekje” wilden maken. Iedereen zei: ”Ik kan niet tekenen.” En iedereen deed het toch. Ik probeerde van tevoren te raden wat ze zouden maken. Een bloemetje, een vogel, een kruis. Een kaarsje, twee proostende glaasjes. En als ik het dan zag, dan dacht ik: ja, dit moest het zijn.
Na weken liep ik, met volkstuinen aan m’n ene kant en de Spree aan de andere, Berlijn binnen. Onder de bruggen lagen de tenten van de Berliner clochards, er liepen moedertjes met kinderwagens, en verderop bij de bezienswaardigheden de onvermijdelijke toeristen. En ik. Ik moest denken aan een woord van -wie anders?- Cees Nooteboom: omvamen. Niet zomaar omarmen, maar zo ruimhartig dat je er helemaal in verdwijnt. Berlijn omvaamde mij.
Toen ik dagen later weer in mijn eigen woonkamer zat, met mijn wandelschoenen naast de bank, trok ik mijn boekje met de tekeningen uit mijn rugzak. Daar waren ze weer allemaal, we zaten samen op de bank, al mijn onderdakgevers en ik.
