Ballingschap langs de Rijn
Een kort verhaal van Emine Karadag.
Wij mensen zijn allemaal bannelingen.
Sommigen door oorlog, anderen door werk, liefde of omstandigheden. Maar ieder mens draagt ergens een land in zich waar hij nooit volledig thuiskomt.
Ik wilde dat land leren kennen.
Daarom reisde ik een paar dagen door Duitsland. Langs de Donau, door Regensburg en Passau. Via München naar de Isar. Ik volgde de Moezel door de Eifel, de Neckar langs Heidelberg en Tübingen, en later de Main richting Frankfurt. Overal stroomde water alsof rivieren beter begrepen wat mensen vergeten: dat alles blijft bewegen, zelfs verdriet.
Toch was het de Rijn die mij het meest raakte.
De rivier droeg iets dubbelzinnigs in zich: schoonheid en heimwee tegelijk. Alsof hele generaties migranten hun stiltes aan het water hadden toevertrouwd.
In een klein stadje langs de Rijn zag ik een oudere vrouw alleen op een bankje zitten. Haar handen lagen diep verborgen in haar boezem, alsof ze zichzelf probeerde vast te houden. Eerst liep ik voorbij. Toen draaide ik me om en ging naast haar zitten.
Haar ogen waren vochtig.
Zonder iets te zeggen pakte ik voorzichtig haar handen vast en veegde haar tranen weg. Ze keek me plotseling aan en fluisterde in het Turks:
“Ah kızım… sen geldin.”
Alsof ze iemand anders in mij herkende.
Ik probeerde met haar te praten, maar haar gedachten dreven telkens weg. Ze leek verdwaald in een wereld die alleen zij nog kon zien.
Terwijl ik om me heen keek, kwam een man van rond de veertig voorbij. Ik vroeg hem in het Duits of er ergens een Turkse winkel in de buurt was. Hij keek ons nauwelijks aan.
“Gehen Sie weg,” zei hij kort. “Wegen Ihnen hat Deutschland seinen Ruf verloren.”
Ga weg. Door mensen zoals jullie heeft Duitsland zijn reputatie verloren.
Ik keek hem verbaasd aan.
“Wat bedoelt u met ‘jullie’?” vroeg ik. “En hoe kan iemand een land vernietigen dat hij zelf mee heeft opgebouwd?”
De oude vrouw kneep zacht in mijn hand en mompelde:
“Laat maar, meisje… ook hij is verdwaald.”
Haar woorden bleven in mij hangen.
Even later liepen we langzaam verder tot we een kleine kiosk vonden. We gingen buiten zitten. Ik bestelde thee voor haar en koffie voor mezelf. Onder de regenachtige lucht aten we zwijgend broodjes alsof stilte soms menselijker is dan taal.
De serveerster wees ons daarna de weg naar een Turkse winkel iets verderop. Daar herkenden ze de vrouw meteen.
“Ze heeft Alzheimer,” zei iemand zacht. “Eerste generatie migrant.”
Ze belden haar dochter.
Tien minuten later kwam een vermoeide vrouw binnenrennen. Ze sloeg haar armen om haar moeder heen met de wanhoop van iemand die al te vaak bang is geweest.
Toen begreep ik ineens iets wat geen rivier mij had kunnen leren.
Ballingschap is niet alleen een land verlaten.
Soms verlaat het leven jou.
Oud worden is langzaam een vreemdeling worden in je eigen tijd. De taal om je heen verandert. De wereld beweegt verder zonder op je te wachten. En ergens onderweg raak je niet alleen straten kwijt, maar ook jezelf.
Die vrouw was geen moeder meer van haar kinderen.
Ze was het kind van de ouderdom geworden.
Later wandelde ik opnieuw langs de Rijn. De lucht brak open boven het water. Ik dacht aan die jonge man, aan de oude vrouw, aan miljoenen mensen die tussen grenzen en herinneringen leven.
Misschien zijn wij verweerd, dacht ik.
Niet door zwakte, maar door het leven zelf.
Zoals stenen die jarenlang door rivieren zijn gedragen.
En misschien zijn juist de mensen die ooit vreemdeling waren geworden, het meest in staat om een ander mens thuis te laten voelen.
