Fernweh
Een kort verhaal van Aron de Jong.
Het was niet de bedoeling dat het een gesprek zou worden. Het was een losse opmerking, meer voor mezelf bedoeld, dan voor de tientallen mensen die om me heen gepakt stonden. Ik foeterde iets over de drukte en de geur. Ja, vooral over die verdomde geur. Een mengeling van zoetigheid en industrie. Verval en mechaniek. Door de jaren heen opgebouwd met miljoenen ritten, dito passagiers en nu zo alom aanwezig dat het in elke vierkante centimeter van het voertuig was getrokken.
Kort nadat de woorden mijn mond hadden verlaten, vonden mijn ogen die van haar. Groen en licht smalend, alsof datgene wat ik had gezegd een beginnersfout was. Ik trok mijn blik weg en keek naar beneden, richting het mozaïek van sneakers en schoenen en iets grijs wat niet te identificeren was.
‘Het went’, hoorde ik iemand zeggen. ‘En op een gegeven moment ga je ervan houden.’
Bij het opkijken was zij de enige die mijn kant op keek.
De halte Alexanderplatz schalde door de intercom. Mensen draaiden zich naar de deur, pakten hun tassen van de grond en maakten zich klaar om uit te stappen. Een schokkende stop en een grote leegloop. Ook ik moest gaan. Er was een afspraak en een plek om te zijn, maar dat was tenslotte altijd zo.
Kort nadat het voertuig weer in beweging kwam, begon ons gesprek. Ergens na een bocht zei ze dat de metro haar favoriete vervoersmiddel was. Iets over een perfecte asymmetrie tussen een strakke dienstregeling en de onvoorspelbaarheid van de passagiers. Een zin die te mooi was om te parafraseren, maar door mijn gebrekkige geheugen toch dit lot was beschoren, zoals wel vaker gebeurde.
Ik vergat meer; de halte waar we beiden uitstapten, hoeveel trappen we naar boven liepen en waar ze uiteindelijk naartoe ging. Wat bleef hangen was de vraag wat ik hier deed, een belofte dat ik de metro vaker zou nemen en de geur, die op een dag zou moeten veranderen. Dat laatste duurt lang. Maar in mijn stad hebben ze dan ook geen metro’s en ook geen groene ogen.
